artikelen index / bibliotheekindex

Natuurstudie en maatschappij


De oorlog zorgde binnen de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie voor grote problemen. Zo'n 60 leden werden vanaf mei 1943 in Duitsland tewerkgesteld omdat ze een loyaliteitsverklaring weigerden te tekenen. Velen moesten onderduiken. Dit is wel kenmerkend voor leden van deze jeugdbond: zij waren behalve natuurliefhebbers ook maatschappijkritisch. Des te opmerkelijker is het dat christelijke jongeren zich in juist diezelfde tijd (juli 1943) van de bond afscheidden en vlak na de oorlog een eigen bond oprichtten.  

Natuurstudie verzuilde, zoals na de oorlog de politiek in natuurbehoud voor verzuiling zorgde. De ontwikkelingen in de verenigingen voor natuurstudie liepen bijna synchroon met ontwikkelingen in de samenleving waarbij valt te denken aan de afscheiding in de Gereformeerde kerk in 1943 en het samengaan van C.J.N. en K.J.N. tot A.C.J.N. in 1961 (vergelijk CDA.). Buiten organisatorische problemen moesten in de beginjaren de vrije N.J.N'ers opboksen tegen ouders die moeite hadden met de gemengde omgang tussen jongens en meisjes en uit de christelijke hoek waren bezwaren tegen het openbare karakter van de jeugdvereniging. Ook werd een strijd gevoerd met de N.N.V., de Natuurhistorische Verenging (de tegenwoordige K.N.N.V.), die ook graag een vinger in de pap hield. Een eigen tijdschrift, Amoeba, werd in 1922 opgericht en daarmee werd de Jeugdbond geheel zelfstandig en kwam een eind aan bevoogding door ouderen. In de NJN, een gemeenschap van individualisten, De geschiedenis van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (1997, Opulus Press) beschrijft Marga CoesŤl gedetailleerd de wederwaardigheden van deze vereniging, die in 1920 is opgericht.

In de beginjaren '70 was ik lid van de N.J.N. Een tijd van idealen; 1972 werd zelfs tot natuurbeschermingsjaar uitgeroepen. Wie herinnert zich niet de vier posters: dag bloemen, dag vogels, dag vissen en dag mensen, alles ondersteboven afgebeeld? De tijd ook van Louis G. Leroy met het boek Natuur uitschakelen, natuur inschakelen, waarin het ecologisch tuinieren werd gepropageerd. Mijn eigen ervaringen binnen de N.J.N. waren ambivalent; eigenlijk paste ik niet binnen de groep: ik was geen vegetariŽr, hoewel financiŽle omstandigheden toen noopten tot weinig vlees eten; ik was niet links georiŽnteerd, van antroposofie moest ik niet veel hebben; het brood van Loverendale vond ik niet echt lekker en de biologisch-dynamische wereld was me te zweverig. Het aardige was dat de groep van vrijbuiters juist iedereen accepteerde: de studie en kennisoverdracht van alles in de natuur was waar het werkelijk om draaide. Een echte vleeseter ben ik nooit meer geworden; antroposofie zie ik nu als sympathiek, volkorenbrood als normaal en biologisch voedsel als noodzakelijk. Opvallend is verder dat linkse partijen beduidend meer om (voor) natuur geven en natuurbehoud mijn stemgedrag is gaan bepalen. Blijft voor mij de verwondering dat uit de confessionele hoek zo weinig aandacht is voor een beter leven om ons heen: legbatterijen zijn niet toevallig zo veel op de Veluwe te vinden (leefruimte per kip vaak niet meer dan een A4tje!) . Gods en Allah's hoede blijken niet voor dieren en zeker niet voor de 100 miljoen in ons land levende kippen te zijn weggelegd; zij hebben immers geen ziel. Strijd, zelfs aanbevelingen, voor dierenwelzijn wordt nu soms als extremisme gekenschetst. Jammer dat politiek en religie in natuurbescherming en natuurbeheer nog steeds een rol blijven spelen: het algemeen belang en dat van volgende generaties lijkt daar ondergeschikt aan.

 

Gelukkig bestaat de Jeugdbond voor natuurstudie, de vereniging van individualisten, die een neutrale tegenpool vormt door, zonder belangen, samen alles in de natuur te bestuderen en rapporteren. Behalve het samen uitpluizen van uilenballen en het leren dat er mannetjes en vrouwtjes gagel bestaan heb ik in mijn jonge jaren bij de jeugdbond ook kritisch leren kijken naar de maatschappij. Natuurlijk tuinieren is daar een onderdeel van. Nu hopen dat de N.J.N. nog lang blijft bestaan, want kennis van vogels en planten kan het best door leeftijdgenoten worden overgedragen; een vorm van natuureducatie, waaraan biologielessen op school of het surfen op de computer niet kunnen tippen.

Klaas T. Noordhuis