artikelen index / bibliotheekindex

Galanthofilie


Ons kalenderjaar begint op een nogal willekeurig tijdstip. Misschien was zes weken later, als de sneeuwklokken gaan bloeien wel logischer. Voor mij begint het jaar pas echt als de tuin weer wit is van de "melkbloemen" en duidelijk is dat het leven in de grond gewoon doorging. Linnaeus beschreef de sneeuwklok (in het Engels: snowdrop) in zijn Systema naturae in 1753 en gaf het geslacht de naam Galanthus. (Gala = melk, anthos = bloem). Voordien werd de bloem onder meer beschreven als Leucoium, Narcisolyrion, Chianthemum en Nivaria. Voor dit voorjaar is er goed nieuws: Hanneke van Dijk en Gert-Jan van der Kolk schreven voor Uitgeverij Terra het boek Sneeuwklokjes dat dit jaar (2003) is uitgekomen.  

Sneeuwklokjesliefhebbers worden wel galanthofielen genoemd. Tot deze groep behoor ik zeker: dwangmatig loop ik in het voorjaar met een spade de tuin in om de sneeuwklokken in volle bloei te vermeerderen. (Dit kan ook later, als het blad aan het afsterven is, maar dan is de tuin inmiddels groen en wordt deze werkzaamheid vergeten). Het gevolg is inmiddels een tuin met 100.000 witte klokken. Aandacht voor de bloemen doet je ontdekken dat er nogal wat variatie is. Spontane veranderingen (sporten genaamd) komen ook voor. Zo ontstond in de tuin van Oosterhouw een sport met hele smalle bloemblaadjes. Als zeker is dat deze variatie stand houdt, kan deze worden beschreven en zal er een naam aan worden gegeven. Ieder voorjaar wordt deze pol met bijzondere bloemen extra in de gaten gehouden. Vermeerderen van sneeuwklokken kan tijdens de bloei, of zelfs in de gehele periode dat er blad aan zit. In Engeland is dat gewoonte. Bij ons worden alleen dedroge bollen te koop aangeboden en deze worden vaak nog uit de natuur in Turkije gehaald (geroofd) en niet alleen hier verhandeld, maar ook weer geŽxporteerd. De bollen die te lang boven de grond zijn geweest en een maand lang warm en droog in een tuinwinkel hingen geven weinig resultaat. Een (halve) pol uit een tuin bevat veel meer bollen, dan er in een zakje zitten en succes van aanslaan is tevens verzekerd.

De echte galanthofiel kan niet zonder het boek The Genus Galanthus door Aaron P. Davis, in 1999 uitgegeven door The Royal Botanic Gardens in samenwerking met Timber Press . De achttien soorten van het geslacht Galanthus zijn voor deze monografie geschilderd door Christabel King. Dit bolgewas groeit van nature in Zuid-Europa en Klein-Azie tot in Iran. De noordelijke afbakening is niet duidelijk, omdat al vroeg de sneeuwklok in noordelijker streken werd aangeplant. Sommige soorten vallen bij ons dan ook onder de groep stinzenplanten. Dat deze planten bij ons al lang in cultuur zijn blijkt uit de vele streeknamen die we aan de planten gaven. Sneeuwklok is in het Gronings Liderke, wat stakker betekent. (als kind had ik twee lammetjes, die er bij de geboorte slecht aan toe waren en met de fles moesten worden gevoed; zij kregen de namen Liderke en Schieterke). In Salland noemde men de sneeuwklok een akeneerske, in Friesland maerteblomke. Andere namen waren onder meer: nakenderskes, sneeuwdringer, vroegopjes, St Antoniusbloem en vastenavondzotjes. De Vlaamse naam snottebel is de enige niet-vleiende naam voor de witte hanghoofdjes. Uit de namen blijkt dat de herfstbloeiende soorten hier nog onbekend waren: G.reginae-olgae (pas beschreven in 1876) en G. peshmenii. De eerste is in de gespecialiseerde bollenhandel nog wel eens te vinden. De volksnamen zijn te vinden in het Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten, bewerkt door H.Heukels en uitgegeven in 1907. In 1987 gaf de KNNV er een herdruk van uit.

 

Achttien soorten sneeuwklokken en vele hybriden die voornamelijk in Engelse tuinen zijn ontdekt gaven de auteur de inspiratie 300 pagina's te schrijven over The Genus Galanthus. De meeste rassen zijn afstammelingen van slechts drie soorten: G.nivalis (waarvan de dubbele vorm ook tot de stinzenplanten wordt gerekend), G. plicatus en G. elwesii. Van de laatste soort, met grotere bloem en veertien dagen vroeger bloeiend, stond de tuin van mijn grootvader vol. Ik blijk dus niet de eerste sneeuwklokkenfanaat in de familie, want hoewel de sneeuwklok zich onder gunstige omstandigheden uitzaait, is de verspreiding van dit bolgewas toch voornamelijk mensenwerk.

© Klaas T. Noordhuis